Bricks - Iluzo - installing mortarbed
Making mortar

Metselmortel maken op de werf

Metselmortel is een mengsel van zand, water en bindmiddel(en). Het dient om de bakstenen te hechten en de belasting gelijk te verdelen. Soms wordt dit mengsel aangevuld met hulpstoffen en/of toevoegingen. Wienerberger stimuleert het gebruik van industriële mortels. Bij mortels die op de bouwplaats zelf zijn gedoseerd, is de samenstelling en de kwaliteit niet altijd zo constant te houden. Daardoor zijn de te verwachten prestaties ook moeilijker voorspelbaar.

Bij mortels die op de bouwplaats zelf worden gemaakt, moeten de hieronder vermelde ingrediënten (cement, kalk, zand, hulpstoffen) voldoen aan eisen die in normen staan vermeld.

Cement

Grondstof

Cement is een hydraulisch bindmiddel dat verhardt in contact met het aanmaakwater, en een product (cementsteen) oplevert dat zelf in water onoplosbaar is. Cementsoorten die gebruikt worden als hydraulisch bindmiddel in metselmortels, moeten beantwoorden aan de eisen van ofwel de norm NBN EN 413-1 (metselcement) of de norm NBN EN197-1 (gewoon cement). In België kunnen er nog bijkomende eisen gesteld worden (zie STS 22).

Het cement wordt aangeduid door het type, de hoofdbestanddelen en de druksterkteklasse.

Onderstaande tabel verduidelijkt verder de sterkteklasses:

 
 
 
 
 
 
 
 
Klasse
 

32,5 N

32,5 R

42,5 N

42,5 R

52,2 N

52,2 R

Druksterkte (N/mm²)

2 dagen

-

≥ 10,0

≥ 10,0

≥ 20,0

≥ 20,0

≥ 30,0

 

7 dagen

≥ 16,0

-  

-  

-  

 

-  

 

28 dagen

≥ 32,5      ≤ 52,5

≥ 32,5      ≤ 52,5

≥ 42,5      ≤ 62,5

≥ 42,5      ≤ 62,5

≥ 52,5      -

≥ 52,5      -

Begin van de binding (min)
 

≥ 75

≥ 75

≥ 60

≥ 60

≥ 45

≥ 45

Uitzetting (mm)
 

≤ 10

≤ 10

≤ 10

≤ 10

≤ 10

≤ 10

De R-versie wordt vooral gebruikt voor vroegtijdig ontkisten en voorspannen van beton.

We merken op dat de ervaring leert om de CEM I 52,5 bij zeer warm weer (> 20°C), alsook de sterkteklasse 32,5 bij zeer koud weer (< 5°C) NIET te gebruiken! In zeewater dienen uitsluitend aangepaste mortels (type HSR) te worden gebruikt.

Kalk

Grondstof

Bouwkalk moet beantwoorden aan de eisen van de norm NBN EN 459-1 en wordt in functie van zijn eigenschappen aangeduid en geclassificeerd.

We onderscheiden twee families: luchthardende kalk en kalk met hydraulische eigenschappen. Deze twee families worden dan nog eens onderverdeeld in subfamilies.

De aanduiding van luchthardende kalk en hydraulische kalk verschilt.  In tegenstelling tot luchthardende kalk wordt kalk met hydraulische eigenschappen geklasseerd in functie van zijn mechanische druksterkte.

Granulaten - Zand

Grondstof

De granulaten moeten voldoen aan NBN EN 13139 “Toeslagmaterialen voor mortel”. In België kunnen er nog bijkomende eisen gesteld worden (zie STS 22).

De granulaten geven aan de mortel zijn structuur, de verbinding van de zandkorrels wordt door cement en eventueel kalk verwezenlijkt.

In de Europese norm EN 13139 wordt het zand aangeduid volgens de granulaatsklasse d/D en granulariteitscategorie GF85. De klasse d/D geeft de afmeting van de kleinste en grootste korrel weer in mm waartussen het merendeel van de korrels ligt. Bij toepassing van de granulariteitscategorie GF85 betekent dat er voor het beschouwde zand (‘F’ verwijst naar het granulaat ‘zand’) er meer dan 85% in massa door een zeef van afmeting D valt. Voor zand waarbij de doorval door de zeef D hoger ligt dan 99%, moet de producent de grootste zeef D* definiëren waarvoor de doorval (door zeef D*) tussen 85 en 99% ligt en de granulaatklasse 0/D aanvullen met indicatie van de echte zeef D* tussen haakjes, dus ‘0/D (0/D*)’.

Verder onderscheidt men drie groepen zand: rond zand, breekzand en gemengd zand (mengeling van rond zand en breekzand)

Ook de fijnheid van het zand moet aangeduid worden. Hiervoor gebruikt men de fijnheidsmodulus. De fijnheidsmodulus FM is de som van de gecumuleerde zeefresten, in massaprocent, op een reeks zeven van 4 mm tot 0,125 mm.

Er geldt:

  • FF voor 'fijn' zand; 0,6 ≤ FM ≤ 2,1
  • MF voor middelgrof zand: 1,5 ≤ FM ≤ 2,8
  • CF voor grof zand; FM ≥ 2,4

Voor stelmortels wordt over het algemeen zand 0/2 gebruikt waarvan de fijnheidsmodulus tussen 1,1 en 2,8 ligt. Naast dit alles dient ook de variabiliteitscategorie van de granulariteit verklaard te worden. Hierbij betekent :

  • A = beperkte tolerantie
  • B = verminderde tolerantie
  • C = normale tolerantie

Ook dient de categorie aangegeven te worden die het gehalte aan fijne stoffen karakteriseert. De categorie f7, bijvoorbeeld, duidt zand aan waarvan de doorval door de zeef van 0,063 mm kleiner is dan of gelijk is aan 7% massa.

Tenslotte dient men nog de zuiverheidscategorie van het zand te declareren. Hierbij onderscheiden we de categorieën ‘a’ tem ‘c’, waarbij ‘a’ het zuiverste is. Er kunnen ook nog extra categorieën (tolerantiecategorie GTC op het granulariteitstype bijvoorbeeld) of eigenschappen (werkelijke volumieke massa bijvoorbeeld) verklaard worden. Een voorbeeld van aanduiding op basis van het voorgaande: rond zand 0/2 (0/1) MF A f7 a

Hulpstoffen

Grondstof

Deze producten beïnvloeden de verwerkbaarheid van de mortel of de chemische reacties die de binding van de mortel verwezenlijken.

Er moet uiterst omzichtig met de hoeveelheden omgesprongen worden (volg strikt het toepassingsgebied en de voorschriften van de fabrikant!); hulpstoffen worden liefst zelfs vermeden! Er zijn immers voldoende mortelsamenstellingen met de vereiste kenmerken voorhanden, waardoor de negatieve invloeden van de hulpstoffen worden uitgeschakeld.

De hulpstoffen zijn géén wondermiddelen die van een slecht gedoseerde of met slechte grondstoffen aangemaakte mortel een goede maken ...; hun verbeterde werking op één hoedanigheid gaat dikwijls ten koste van alle andere.

Hulpstoffen moeten beantwoorden aan de eisen van de normen NBN EN 934-1, 934-2 en/of 934-3. In België kunnen er nog bijkomende eisen gesteld worden (zie STS 22).

De volgende soorten hulpstoffen bestaan:

  • Bindingversnellers: versnellen de hydratatie van de cementkorrels. Worden gebruikt voor het dichten van een waterlek, waterdichtingswerken of metselen onder water. Dikwijls verhogen deze producten de krimp en maken de mortel minder sterk. 
  • Bindingvertragers: het omgekeerde effect als bij het vorige product. Slechts bij uitzonderlijk droog en warm weer kan hun toepassing gerechtvaardigd zijn.
  • Plastificeerders: maken de mortel elastischer en homogener. De aanbevelingen van de fabrikant zorgvuldig volgen!
  • Dispersiemiddelen: verminderen de oppervlaktespanning van het water en bevorderen zo het nat worden van de cementkorrels
  • Luchtbelvormers: maken de mortel lichter, dus wat beter verwerkbaar. Het verhogen van het luchtgehalte met een luchtbelvormer leidt tot een sterkteverlies van de mortel! Dit product moet worden vermeden indien op de bouwplaats geen middel voorhanden is om de hoeveelheid ingesloten lucht te controleren. De hoeveelheid ingesloten lucht mag niet groter zijn dan 15 % in volume. Wij vestigen er de aandacht op dat het gebruik van hulpstoffen algemeen kan leiden tot een vermindering van de hechting van de mortel aan de baksteen.

Het gebruik van detergenten als hulpstof is ten stelligste verboden!

Daarnaast kunnen hulpstoffen uitbloeiingen bevorderen.

Water

Grondstof

Water is een ‘noodzakelijk kwaad’ bij de bereiding van mortel. Het is nodig om het bindmiddel te activeren, maar te veel water is nadelig voor de kwaliteit van de mortel: de mortel wordt poreuzer, minder sterk, krimpt meer en verhardt uiteraard veel langzamer. De water/cement-factor is dus van groot belang, en moet tevens afgestemd zijn op het zuiggedrag van de stenen. Anders zou men bij zwak zuigende stenen wel eens het effect van “drijvende” stenen kunnen bekomen. Anderzijds mag bij sterk zuigende stenen het water niet te snel aan de mortel onttrokken worden of u krijgt “verbranding”. In de zomer kan het aangewezen zijn om de bakstenen te bevochtigen.

Aanmaakwater voor de vervaardiging van stelproducten moet zuiver zijn en beantwoorden aan de eisen van de norm NBN EN 1008. Gewoonlijk wordt er stadswater gebruikt. Onzuiver water en putwater kan een zeer schadelijke invloed hebben op de kwaliteit van de mortel.

Adviezen naar samenstelling

Wegens de talrijke invloedparameters kan slechts indicatieve informatie worden gegeven over de samenstelling van op de bouwplaats gedoseerde mortels in relatie met de te verwachten druksterkte. Het is aangewezen om de mortel aan te passen aan de druksterkte van de steen.

Wat de vorstbestendigheid betreft, kunnen enkel de op de bouwplaats gedoseerde mortels waarvoor er referentiegegevens bestaan, gecodeerd worden als ‘P’ (passieve blootstelling), ‘M’ (gematigde blootstelling) en ‘S’ (sterke blootstelling). Ga dus best uit van niet-vorstbestendige mortel bij ontbreken van referenties.

Het advies van Wienerberger naar samenstelling toe in relatie met het zuigende karakter (of initiële wateropname) van de steen is als volgt:

 
 
 
 
Steentype

Normaal zuigend

Sterk zuigend

Niet tot zwak zuigend

Morteltype

Cementmortel

Bastaardmortel

Cementmortel

Cementsoort

CEM II of CEM I 42,5

CEM II of CEM I 42,5

CEM I 42,5

Zandtype

Middelgrof natuurlijk zand

Middelgrof natuurlijk zand

Grof Rijnzand 0/4

Hoeveelheid cement (= C) en vette poederkalk (= G) in kg/m³ zand

C300

C250 / G50

C300

Vermijd het gebruik van hulpstoffen

De dosering van de cement in de mortel moet nauwkeurig gebeuren.

Immers:

  • Te weinig cement levert een poreuze en niet-samenhangende mortel op
  • Overdosering van cement leidt tot sterk krimpende en niet aan baksteen hechtende mortel

Het is een illusie dat wat meer cement de mortel alleen maar sterker kan maken.

Map of dealers

Vind verdelers in uw buurt